Logo Universiteit Utrecht

Geschiedenis en Didactiek

Werkvormen

Voorbeelden van samenwerkend leren

 

1 Duo’s

Bij een schriftelijke opdracht:

  • vorm een groepje van vier: A, B, C en D
  • A en B werken samen aan de opdracht en C en D werken samen aan de opdracht
  • A vergelijkt met C; B vergelijkt met D
  • A en B bespreken verschillen tussen antwoorden en maken er een geheel van; C en D bespreken verschillen tussen antwoorden en maken er een geheel van

Bij ‘praat’-opdracht:

  • vorm een groepje van vier: A, B, C en D
  • A en B bespreken; C en D bespreken. Spreek een tijdslimiet af (bijvoorbeeld 3 minuten)
  • A en C wisselen uit; B en D wisselen uit. Spreek een tijdslimiet af
 

2 Brainstorm

  • vorm een brainstormgroepje (min. 4, max. 8 personen)
  • bedenk in een heel korte tijd zoveel mogelijk ideeën, argumenten, voorbeelden, associaties (waar denk je aan bij). Iedereen moet aan de beurt komen

Kenmerken van brainstormen zijn:

  • snelheid, niet te lang nadenken, roept u maar
  • elke inbreng is goed, elkaars bijdragen niet beoordelen
  • ook gekke dingen mogen: alle ideeën helpen
  • bouw verder op ideeën van anderen
 

3 Denken, delen, uitwisselen

  • denken: je maakt de opdracht eerst individueel; spreek af hoe lang je erover mag doen
  • delen: je maakt de opdracht af met een medeleerling; de tijd die voor het bespreken staat wordt gedeeld (ieder krijgt evenveel tijd)
  • uitwisselen: twee tweetallen leggen elkaar hun resultaat uit; een van het groepje van vier rapporteert
 

 

4 Woordweb

Een woordweb maak je met een groepje, maar het kan ook individueel of met de hele klas. Je hebt een groot vel papier nodig en per persoon een viltstift. Elke leerling van het groepje krijgt een eigen kleur.

  • in een cirkel midden op het vel papier schrijft iemand het thema
  • om beurten schrijf je er een begrip bij (dit rondje kun je indien nodig nog een keer herhalen en dan een onderscheid maken tussen belangrijke en minder
    belangrijke begrippen)
  • iedere deelnemer trekt verbindingslijnen tussen de
    begrippen
  • bespreek het woordweb met je groep; doordat je allemaal
    met een verschillende kleur viltstift hebt gewerkt, kun je
    ieders bijdrage aan het woordweb zien
 

 

5 Drie-stappen-interview

Vorm een groepje van vier leerlingen: A, B, C en D.

  • A ondervraagt B, C ondervraagt D
  • halverwege wisselen jullie van rol: B ondervraagt A, D ondervraagt C
  • je zit met z’n vieren bij elkaar; elke interviewer vertelt wat de ondervraagde van het onderwerp vindt. Je leert zo
    elkaars gedachten samenvatten
 

6 Placemat

Je hebt een groot vel papier en viltstiften nodig. Vorm een groepje van vier leerlingen.

  • verdeel her vel papier in 5 stukken: vier hoeken en een middengedeelte
  • ieder schrijft individueel en in stilte zijn bijdrage op de eigen hoek van het papier
  • je bespreekt alle punten in je groep
  • de groep besluit gezamenlijk wat de belangrijkste bijdragen zijn; die punten schrijf je in het midden van het vel papier
 

 

7 Experts

De expertvorm is erg geschikt om tijd te winnen. Je verdeelt de opdracht over een aantal andere leerlingen. leder lid van je groep wordt expert in een deel van de stof. Als expert draag je je kennis over aan de anderen. Samen behandel je zo de complete stof.

  • stap 1: verdeel de stof of opdracht in gelijke porties, bijvoorbeeld in deelvragen of paragrafen
  • stap 2: de basisgroep: Je vormt een basisgroep zo groot als het aantal porties.Stel dat het werk verdeeld is in 4 porties. De basisgroep bestaat dan uit vier leden, genummerd 1, 2, 3 en 4.
  • stap 3: de expertgroep: De nummers 1 gaan bij elkaar zitten en voeren hun deel van het werk uit. De nummers 2 maken ook een gedeelte en zo verder. De groepjes worden experts in hun gedeelte van het werk
  • stap 4: terug naar de basisgroep: De nummers 1, 2, 3 en 4 presenteren de uitkomsten van hun werk in de basisgroep. Alle leden van de basisgroep hebben nu kennis van de hele opdracht. Controleer of dat ook echt het geval is
 

 

8 Groepsreis (simultaan presenteren)

Deze werkvorm is vooral handig als uitkomsten van groepswerk
gepresenteerd moeten worden. Het valt vaak niet mee om actief te luisteren naar vier of vijf presentatiesachter elkaar. De groepsreis biedt uitkomst

  • stap 1: elk groepje van vier heeft de groepsopdracht afgerond; de groepsleden worden genummerd: 1, 2, 3 en 4
  • stap 2: de nummers 1 schuiven een tafel op, de nummers
    2 twee tafels, de nummers 3 drie tafels, de nummers vier
    blijven zitten. In de nieuwe groepen wisselt elke leerling
    zijn kennis uit en verzamelt de kennis van de anderen uit dit groepje
  • stap 3: iedere leerling vat die kennis even kort samen,
    zodat je die aan je eigen groepsleden kunt vertellen
  • stap 4:je gaat terug naar je eigen groep en brengt het
    geleerde van de groepsreis in. Iedereen schrijft voor zichzelf op wat het resultaat is en rondt de opdracht af
 

 

Bron: Sfinx voor de tweede fase havo/vwo, Thieme Meulenhoff, Zutphen 2003